Het gewenste gangwerk is een zwevende draf.

De galop is zeer snel en geeft de indruk van grote behendigheid.

FCI-Standaard Nr. 89 / 04.02.2007/ NL

Vertaling: A.H. van der Snee (Engels –Nederlands)
Land van herkomst: Spanje (Balearen).
Datum van de publicatie van de originele geldende standaard: 26.05.1982.

Gebruik:

De Podenco Ibicenco wordt hoofdzakelijk gebruikt voor de jacht zonder geweer op konijnen, overdag en 's nachts. Dankzij zijn bijzonder goede reukvermogen dat hij, gekoppeld aan het gehoor, meer gebruikt dan het gezicht van de hond. Hij ruikt en jaagt met gemak konijnen, zelfs in dichte begroeiing. Vlug en snugger vangt hij zijn prooi snel, vooral als hij met andere honden jaagt. Als een hond wild aanwijst, wordt hij omringd door alle andere honden die een zekere afstand bewaren en staan te wachten. Ze blaffen alleen als ze het wild zien of horen en als ze het omringd hebben. Zowel bij het aanwijzen en het vangen van het wild, kwispelen alle honden snel, maar worden gemakkelijk van hun afwachtende houding afgeleid. De Podenco Ibicenco wordt ook gebruikt voor de jacht op hazen en groter wild. Hij is een goed apporterende hond. Op bepaalde uitzonderingen na worden alleen teven gebruikt bij het vormen van een meute, of hoogstens slechts één reu. Reuen werken niet samen bij de jacht en maken ruzie. Als een meute meerdere duizenden konijnen heeft gevangen, kan het gebeuren met dit ras dat enkele honden van die meute niet langer willen jagen, tot ze geruime tijd rust hebben gehad. De Spaanse uitdrukking 'en conillarse'  (welterusten) duidt op deze eigenaardigheid.

Classificatie FCI:

Groep 5, Spitsen en oertypes.
Sectie 7, Primitief type jachthonden.
Zonder werkproef.

Kort historisch overzicht:

Dit ras is ontstaan op de Balearen, Majorca, Ibiza, Minorca en Formentera, waar het bekend staat onder de naam 'Ca Eivissec'. Het is ook wijd verspreid in Catalonië, in de omgeving van Valencia, in de Roussillon en de Provence, waar het bekend staat onder de namen Mallorqui, Xarnelo, Mayoquais, Charnegue, Charnegui en Balearenhond. Waarschijnlijk waren deze honden naar de eilanden gebracht door de Feniciërs, Carthagers en mogelijk de Romeinen.
Deze hond is een typisch primitieve en robuuste vertegenwoordiger van een van de oudst bestaande rassen. Afbeeldingen van deze honden zijn gevonden in de graven van de farao's en op voorwerpen in musea, zodat het bestaan van het ras al gerekend kan worden vanaf het jaar 3400 v. Chr.

Belangrijke proporties:

De afstand van de punt van de snuit tot de ogen is gelijk aan die van de ogen tot de occiput.

Hoofd:

Als geheel bezien heeft het lange fijne hoofd het voorkomen van een kegel die dichtbij de basis afgesneden is; helemaal droog en tamelijk klein in verhouding tot het lichaam.

Schedelgedeelte

Schedel: Lang en vlak (dolichocefaal = langschedelig). Occiput opvallend, voorhoofdsbeen fijn en vlak.
Stop: Nauwelijks waarneembaar.

Gezichtsgedeelte

Neus: Vleeskleurig. Neusgaten wijd open. Neusbeen licht gebogen.
Snuit: Neusbrug en neus steken voor de onderkaak uit; fijn, lang en vleeskleurig, overeenkomend met de vachtkleur.
Ogen: Schuin staand, klein, lichte amberkleur, doet denken aan karamelkleur. De amberkleur kan min of meer intensief zijn, overeenkomend met de kleur van de vacht. Zonder zeer adellijk te lijken toont de expressie intelligentie, maar ook angst en wantrouwen.
Oren: Altijd stijf, zeer beweeglijk. Steken naar voren of naar opzij in een horizontaal vlak of naar achteren gehouden. Rechtop als de hond levendig is. Het midden van de plaats van het oor is ter hoogte van de ogen. De vorm is die van een lange romboïde (ruitvormig) die afgesneden gevormd is op een derde van de lange diagonaal. Ze zijn fijn, zonder haar aan de binnenkant van de ooropening; van middelgrote, niet overdreven maat.
 
Hals: Zeer droog, zowel boven als onderaan. De lengte is een kwart van de lichaamslengte, licht gebogen en gespierd. De huid is strak, zonder keelhuid. Normaal is de vacht langer en dichter bij de aanzet op het lichaam, vooral bij de gladharige variëteit.

Lichaam

Het lichaam als geheel gezien is symmetrisch, iets gebogen en van middelmatige, gelijke afmetingen, compact en wat langer dan hoog, zonder de verschillen die precies gegeven zijn.
Schoft: Goed gevormd, hoog, droog en lang.
Rug: Lang, recht en buigzaam. Spieren sterk maar vlak.
Lenden: Gebogen, middelmatig breed, sterk en stevig.
Croupe: Sterk aflopend met zichtbare botstructuur; toont zeer sterke, harde spieren.
Borstkas: Diep, smal en lang, maar reikt niet tot de ellebogen. Voorborst spits en duidelijk uitstekend. Vlakke ribben.
Buik: Opgetrokken, maar niet te veel.

Staart

Lang, laag aangezet; naar het eind toe moet er wat langer en ruwer, een beetje afstaand haar zijn. Als de staart tussen de benen door getrokken wordt, moet hij de rugwervels raken. Wat dikker bij de aanzet en dunner wordend naar het eind. Hangt natuurlijk in rust; in beweging sikkelvormig gedragen, min of meer gebogen. Bij voorkeur niet hoog gedragen of te veel boven de rug gekruld.

Ledematen

Voorhand: Verticaal, symmetrisch. Van voren gezien is de positie van de voorbenen zeer dicht naast elkaar; als geheel stevig, met lange ledematen, wat de indruk geeft van een slank, snel en toch sterk dier.
Schouders: Schouderbladen schuin, sterk en vrij bewegend.
Opperarm: Zeer lang, recht, sterk en zeer goed aangesloten in stand.
Elleboog: Breed, staat vrij van de romp, evenwijdig aan het middenvlak van de romp, maar nooit los.
Onderbeen: Verbredend naar de middenvoet.
Middenvoet: Sterk, stevig, breed en goed rechtop.
 
Achterhand: Verticaal met lange, sterke, vlakke spieren.
Hak: Goed gehoekt, breed, laag geplaatst, verticaal, draait niet naar buiten of naar binnen.

Voeten

Nagenoeg hazenvoeten. Tenen lang en dicht naast elkaar. Overvloedig haar tussen de tenen; nagels zeer sterk en normaal wit, soms overeenkomend met de vachtkleur. Voetkussens zeer hard.

Gangwerk/beweging

Het gewenste gangwerk is een zwevende draf. De galop is zeer snel en geeft de indruk van grote behendigheid.

Huid

Past strak op het lichaam, roodachtig pigment, maar het kan een andere kleur zijn waar de vachtkleuren verschillen.

Vacht

Beharing: Ruw kort haar of lang haar.
Het korte haar mag niet zijdeachtig zijn, maar sterk en glanzend.
Het ruwe haar moet hard en heel dicht zijn, iets korter op hoofd en oren en iets langer op de achterkant van de dijen en onderkant van de staart. Een baard wordt hoog gewaardeerd. Het lange haar is zachter en moet minstens 5 cm lang zijn. Het hoofd is zeer dicht behaard.
Kleur: Gewenst zijn wit en rood, of geheel wit of rood. Eenkleurige hond is toegestaan, onder voorwaarde dat het een buitengewoon goed exemplaar is; bij de kortharige vachten is deze kleur niet toegestaan.

Maat

Reuen: 66 to 72 cm
Teven: 60 tot 67 cm.
Zonder overdreven striktheid: honden die de gewenste maten dicht benaderen, kunnen geaccepteerd worden, aangenomen dat ze van proporties en esthetisch goed zijn.

Fouten

Elke afwijking van de voorgaande punten moet als fout worden beschouwd en de ernst waarmee de fout aangerekend wordt moet in de juiste verhouding staan met de mate ervan.

Ernstige fouten

Hoofd kort en breed.
Stop duidelijk geprononceerd.
Het missen van een premolaar.
Hangoren.
Sterk gebogen ribben.
Ellebogen naar buiten gedraaid.
Koehakken.
Voeten naar buiten gedraaid.
Het kruisen van voeten en hakken bij het gaan.

Eliminerende fouten

Schedel in de vorm van een trap (vlak of te hoog in relatie met neusbrug).
Bruin pigment of zwarte plekken op de neus,
Ernstige vorm van vooruitstekende kaken.
Oogleden en lippen: roodkleurig bruin.
Bewijs van kruising met een 'Galgo' of een andere soort windhond:
Gevouwen oren.
Donkere ogen.
Brede croupe.
Nauwelijks zichtbare voorborst.
Dijen rond en breed met zichtbare aderen.

Elke hond die duidelijk fysieke of gedragsafwijkingen vertoond moet gediskwalificeerd worden.

N.B.: Manlijke dieren moeten twee duidelijk normale testikels hebben die volledig in het scrotum zijn ingedaald.