Oertype hond van elegante en slanke bouw,

middelgroot, niet plomp, robuust en sterk. Van morfologische bouw; met vrij lange belijning, lichte bouw; zijn lichaam past in een vierkant; de vacht is fijn.

FCI-Standaard Nr.: 199/03.07.2007/NL

Vertaling: A.H. van der Snee (Engels-Nederlands)
Land van herkomst: Italië.
Datum van publicatie van de originele geldende standaard: 27.11.1989.
Gebruik: Jachthond, speciaal voor de jacht op wilde konijnen.

Klassificatie F.C.I.:

Groep 5 Spitsen en oertypes.
Sectie 7 Oertype jachthonden.
Zonder werkproef.

Kort historisch overzicht

In oude, klassieke studies over het onderwerp van hondenrassen die verspreid zijn in het Middellandse Zeegebied kwam men tot de conclusie dat de Cirneco dell'Etna afstamt van de oude jachthonden die gefokt werden in het Nijldal in de tijd van de farao's, honden die met de Feniciërs op Sicilië zijn terechtgekomen. Maar zeer recente onderzoeken spreken over een nieuwe opvatting dat het een inheems ras is van Siciliaanse oorsprong, juist in de omgeving van de Etna. Munten en gravures zijn werkelijjk het bewijs dat de Cirneco vele eeuwen voor Chr. in deze streek voorkwam.

Algemene verschijning

Oertype hond van elegante en slanke bouw, middelgroot, niet plomp, robuust en sterk. Van morfologische bouw; met vrij lange belijning, lichte bouw; zijn lichaam past in een vierkant; de vacht is fijn.

Belangrijke verhoudingen:

Lengte van het lichaam gelijk aan de hoogte van de schoft (vierkant gebouwd).
Diepte van de borst iets kleiner dan de hoogte van de grond tot de elleboog.
Lengte van de snuit is minder dan de lengte van het hoofd (de verhouding schedel-snuit is 10:8, maar de voorkeur wordt gegeven aan honden wier lengte van de snuit even lang is als die van de schedel).

Gedrag/karakter

Jachthond, aangepast aan het moeilijke terrein, speciaal voor de jacht op wilde konijnen; begiftigd met veel temperament en hij is tegelijkertijd vriendelijk en aanhankelijk.

Hoofd

Schedelgedeelte

Schedel: In de lengte ovale vorm, de bovenassen van schedel en snuit zijn nauwelijks divergerend of parallel. Het bovenprofiel van de schedel is zo weining bol dat het bijna vlak lijkt; de breedte van de schedel tussen de jukbeenderen moet niet meer zijn dan de halve lengte van het hoofd; de wenkbrauwbogen zijn niet zeer prominent, de voorhoofdsgroef is slechts weinig opvallend; de schedelkam en de achterhoofdsknobbel zijn slechts weinig ontwikkeld.
Stop: Duidelijk geaccentueerd in de vorm van een hoek van ongeveer 140 gr.

Gezichtsgedeelte

Neus: Rechthoekig van vorm, tamelijk groot, de kleur komt overeen met de kleur van de vacht (tamelijk donker kastanjebruin, licht kastanjebruin, vleeskleur).
Snuit: De lengte van de snuit is minstens 80 % van de schedellengte; de diepte of hoogte ervan (gemeten in het midden van de snuit) heeft minstens de juiste lengte; de breedte ervan (gemeten in het midden van de snuit) is minder dan de halve lengte. De snuit is daarom spits met een rechte bovenlijn van de voorsnuit; de onderlijn ervan wordt van opzij bepaald door de onderkaak.
Lippen: Fijn, dun en strak en ze bedekken alleen het gebit van de onderkaak. Het slijmvlies in de mondhoek is nauwelijks zichtbaar.
Kaken/Gebit: Kaken normaal ontwikkeld, ofschoon ze niet sterk lijken; onderkaak licht ontwikkeld, met terugwijkende kin. Snijtanden staan recht op de kaken en passen bij elkaar. De elementen zijn goed ontwikkel en vormen een compleet scharend gebit.   
Wangen: Vlak.
Ogen: De ogen, die tamelijk klein lijken, hebben een okerkleur, niet te donker, amberkleur of zelfs grijs, nooit bruin of donkere hazelkleur; in zijdelingse positie; zachte uitdrukking; ovaal gevormd, met pigment van de ooglidranden stemmen overeen met de kleur van de neus.
Oren: Zeer hoog aangezet en dicht bij elkaar, driehoekige vorm met smalle punt, moeten niet gesneden zijn. Hun lengte is niet meer dan de halve lengte van het hoofd.

Hals

De bovenbelijning goed gebogen (convex). De lengte van de hals is gelijk aan een geknotte kegel; de spieren zijn duidelijk te zien, vooral aan de top van de nek. Huid fijn en strak gespannen, goed passend; geen halskwab.

Lichaam

Bovenbelijning: Recht, loopt elegant van de schoft naar de romp.
Schoft: Steekt boven de ruglijn uit, is smal door de convergentie van de schouderbladen; gaat harmonieus over in de nek, zonder enige onderbreking van de belijning.
Rug: Bovenbelijning recht, met middelmatig ontwikkelde spieren; de lengte van het borstgedeelte is ongeveer 3 maal de lengte van de lende.
Lenden: De lengte van de lenden bereikt ongeveer 1/5 van de hoogte aan de schoft en de breedte ervan is even lang; spieren zijn kort en nauwelijks zichtbaar, maar stevig.
Croupe: Bovenbelijning tamelijk vlak, loopt schuin af met een hoek van ongeveer 24 gr. met de horizontale lijn. De lengte van deze magere en stevige aflopende romp heeft een lengte van ongeveer bijna de helft van de lengte; spieren van de romp zijn niet zichtbaar.
Borstkas: De lengte van de borstkas is iets groter dan de helft van de schofthoogte (ongeveer 57%) en de breedte (gemeten op het breedste punt) is iets minder dan1/3 van de schofthoogte; de borstkas reikt tot, of bijna tot, het niveau van de elleboog, maar niet daaronder; de ribben zijn slechts licht gewelfd, maar nooit vlak; de omtrek van de borstkas die ongeveer 1/8 groter is dan de schofthoogte, is bepalend voor een nogal smalle borstkas.
Onderbelijning: Het profiel van onderen komt overeen met een gelijkmatige lijn van de buik zonder een ploteselinge onderbreking. Buik slank en opgetrokken, flanken van gelijke lengte als die van de nierstreek.

Staart

Laag aangezet, tamelijk dik en over de hele lengte even dik, zeer lang, reikt tot of iets lager dan het niveau van de hak; in rust gedragen als een sikkel; als de hond waakzaam is draagt hij hem als een trompet boven de rug; zacht haar.

Ledematen

Voorhand: Voorbenen recht en evenwijdig. In profiel raakt de verticale lijn van de punt van het schouderblad de punt van de tenen. Een andere verticale lijn vanaf het spaakbeen deelt het onderbeen en de middenvoet in twee meer of minder gelijke delen die eindigen op de halve lengte van de middenvoet. Van voren gezien moet het been corresponderen met een verticale lijn vanaf de punt van het schouderblad die de opperarm, onderbeen, middenvoet en voet in twee min of meer gelijke delen verdeelt. De hoogte van het voorbeen vanaf de grond tot de elleboog is iets meer dan de helft van de schofthoogte.
Schouders: De lengte van het schouderblad moet ongeveer 1/3 van de schofthoogte zijn, met een hoek onder de horizontale lijn van 55 gr.; de bovenste punten van de bladen liggen dicht bij elkaar; de hoek tussen schouderblad en opperarm is 115 gr. to 120 gr.
Opperarm: De lengte is gelijk aan de halve lengte van het been, gemeten van de grond tot de elleboog; vrijwel of precies evenwijdig aan het middenvlak van het lichaam, iets schuin onder de horizontale lijn, met opmerkelijke en duidelijke spieren.
Elleboog: Geplaatst ter hoogte van of onder de lijn van het borstbeen, evenwijdig met het zwaartevlak van het lichaam; de hoek tussen opperarm en onderbeen meet ongeveer 150 gr.
Onderbeen: De lengte is gelijk aan het derde deel van de schofthoogte, recht en evenwijdig; de groef tussen onderbeen en middenvoet is heel duidelijk; de botstructuur is licht maar zeer stevig.
Polsgewricht: Het verlengde van de rechte lijn van het onderbeen; het erwtvormige bot is prominent.
Voormiddenvoet: De lengte mag niet minder zijn dan 1/6 van de hoogte van het onderbeen, gemeten van de grond tot de elleboog; breder dan het polsgewricht, maar vlak en droog, de middenvoet loopt een beetje af van achteren naar voren; de botstructuur is vlak en dun.
Voorvoet: Ovaal van vorm (hazenvoet) met goed aaneengesloten en gebogen tenen; sterke en gebogen nagels, bruin of vleeskleurig tot bruin, maar nooit zwart; voetkussens van dezelfde kleur als de nagels.
 
Achterhand: Recht en evenwijdig. In profiel gezien een verticale lijn die van het heupbeen naar de grond loopt en de toppen van de tenen raakt of bijna raakt. Van achteren gezien splitst een verticale lijn, getrokken van het achterste punt van het zitbeen tot de grond, de punt van de hak, het middenvoetsbeen en de achtervoeten in twee gelijke delen. De lengte van het achterbeen is ongeveer 93% van de schofthoogte.
Bovendij: Lang en breed. De lengte is 1/3 van de schofthoogte; de spieren zijn vlak en de achterste rand van de bil is enigszins convex; de breedte (buitenoppervlak) is gelijk aan 3/4 van de lengte ervan; de hoek darmbeen-dijbeen meet ongeveer 115 gr.
Knie: Moet op de verticale lijn liggen die loopt van het zitbeen naar de grond; de hoek scheenbeen-dijbeen is ongeveer 120 graden.
Tweede dij: Iets korter dan de bovendij, toont een schuine stand van 55 gr. onder de horizontale lijn. De convergerende (samenkomende) spieren zijn droog en zeer duidelijk; botstructuur is licht; de groef langs de achillespees is goed duidelijk.
Hak: De afstand van de voetzool tot de punt van de hak is niet meer dan 27% van de schofthoogte; de buitenkant is breed; de hoek scheenbeen-middenvoet is ongeveer 135 gr.
Middenvoet: De lengte is gelijk aan 1/3 van de lengte van het voorbeen, gemeten van de grond tot de elleboog; met cilindrische vorm en in verticale positie, dus loodrecht op de grond; geen wolfsklauwen.
Achtervoeten: Licht ovaal met verder al dezelfde kenmerken als de voorvoeten.

Gang/beweging

Galop, met onderbrekingen door fases van draf.

Huid

Fijn, past goed op de onderliggende weefsels, op alle delen van het lichaam. Kleuren verschillen overeenkomstig die van de vacht. De slijmvliezen en de huid van de neus zijn in de voorgeschreven kleuren voor de neus en moet nooit zwarte vlekken vertonen of pigmentgebrek.

Vacht

Haar

Glad op het hoofd en de oren en benen; half lang (ongeveer 3 cm) maar glanzend en goed aanliggend op het lichaam en de staart; haar sluik en stug als paardenhaar.

Kleur

Eenkleurig reekleur, min of meer intens of verwaterd als isabelkleurig, sabel etc.
Reekleurig met min of meer wit (witte bles op het hoofd, witte aftekening op de borst, witte voeten, witte punt aan de staart, witte buik; een witte kraag wordt minder gewaardeerd). Eenkleurig wit of wit met oranje vlekken is toegestaan; een reekleurige vacht met een mengeling van iets lichtere en donkerder haren is toegestaan.

Maat en gewicht

Schofthoogte: Reuen van 46 tot 50 cm, tot 52 cm toegestaan. Teven van 42 tot 46 cm, tot 50 cm toegestaan.
Gewicht: Reuen 10 tot 12 kg. Teven 8 tot 10 kg.

Fouten

Elke afwijking van de voorgaande punten moet als een fout worden beschouwd en de ernst waarmee de fout aangerekend wordt moet in de juiste verhouding staan met de mate ervan.

Eliminerende fouten

Agressief of al te schuw.
Convergentie van de assen van de schedel en het gezicht.
Concave voorsnuit.
Duidelijke bovenvoor- of ondervoorbeet.
Lichtgekleurd of wit oog.
Geheel hangende oren of vleermuisoren.
Staart over de rug gedragen.
Zwarte nagels.
Zwarte voetzolen (aan tenen en midden onder).
Zwart verkleurd, zelfs beperkt.
Eenkleurige honden met kleur bruin of leverkleur.
Zwarte of bruine plekken.
Aanwezigheid van zwarte of bruine haren.
Gestroomde vacht.
Zwarte slijmvliezen.
Totaal pigmentgebrek.
Maat boven of 2 cm onder de marge die de standaard aangeeft.

Elke hond die duidelijk fysieke of gedragsafwijkingen vertoond moet gediskwalificeerd worden.
 
N.B.: Manlijke dieren moeten twee duidelijk normale testikels hebben die geheel in het scrotum afgedaald zijn.